Malariabestrijding in de Noordoostpolder tijdens de bezetting
De eerste delen van de Noordoostpolder vielen droog in augustus 1941, waarna snel met de ontginning van het nieuwe land werd begonnen. In de eerste plaats moesten er kavelsloten en greppels voor de afvoer van overtollig water worden gegraven. Dit zware werk werd gedaan door arbeiders die werden gehuisvest in enkele tientallen kampen, verspreid
over de gehele polder.
De gezondheidssituatie in deze kampen liet veel te wensen over; in de tweede helft van 1943 braken er zelfs besmettelijke ziekten uit, zoals gastro-enteritis, bacillaire dysenterie en difteritis. In de laatste maanden voor het einde van de Duitse bezetting werd de toestand er niet beter op.[24]
Zoals eerder ook in de Wieringermeer was gebeurd, besloot de Directie de strijd tegen de malaria actief ter hand te nemen. In juli 1942 richtte zij een eigen Geneeskundige Dienst op, die onder meer was belast met de malariabestrijding. Tot hoofd van deze dienst werd benoemd J. Zwarteveen, een van de eerste kampartsen die in de Noordoostpolder werkzaam waren.[25] Zwarteveen realiseerde zich maar al te goed dat de nieuwe polder door verschillende gevaren werd bedreigd.
In de eerste plaats moest de mogelijkheid onder ogen worden gezien dat malariaparasieten vanuit het ‘oude land’ door besmette muggen naar de Noordoostpolder zouden worden overgebracht.
Vandaar dat een onderzoek werd ingesteld naar het voorkomen van malaria in het zogenaamde randgebied, dat wil zeggen de strook waterrijk land die zich van het Kampereiland in oostelijke richting uitstrekt tot het merengebied bij Vollenhove en vandaar in noordelijke richting tot Lemmer. Bekend was dat in deze gebieden in de jaren twintig en dertig malaria was voorgekomen. Het laatste malariageval in het noordwesten van Overijssel was gerapporteerd in 1937.[26]
In september 1942 deden Swellengrebel en diens collega prof. dr W.A.P. Schüffner, in nauw overleg met Zwarteveen, onderzoek naar de zogenaamde miltindex – het aantal vergrote milten per honderd onderzochte personen - bij schoolkinderen in de randgebieden. Van de 1223 onderzochte kinderen bleken er 74 een vergrote milt te hebben. Bloedonderzoek toonde echter aan dat slechts één van hen daadwerkelijk met de malariaparasiet was besmet. Die twijfelachtige eer viel te beurt aan de zesjarige Keesje Stolk uit Lemmer. Dit jongetje kwam overigens oorspronkelijk uit de Wieringermeer, wat erop lijkt te duiden dat de malariabestrijding in deze polder toch niet voor de volle honderd procent was geslaagd. In 1943 verrichtte Swellengrebel miltonderzoek bij de schoolkinderen op Urk. Van de 748 onderzochte kinderen leden 71 aan een vergroting van de milt, maar bloedonderzoek toonde aan dat geen van hen met de malariaparasiet was besmet.[27]
Een ander potentieel gevaar was dat de malariamug zich permanent in de Noordoostpolder zou vestigen. Vooral de eerste jaren na de drooglegging zouden de omstandigheden er ideaal zijn voor dit insect: de jonge polder bestond immers uit een uitgestrekte, drassige vlakte, die werd doorsneden met greppels en sloten. Onderzoek dat Zwarteveen in de jaren 1942-1944 verrichtte, toonde aan dat de brakwatervariant van de Anopheles maculipennis overal in het randgebied voorkwam. Een kolonisatie van de Noordoostpolder door deze ondersoort vanuit het oude land viel dus zeker niet uit te sluiten. In 1944 bleek er echter nog geen sprake te zijn van een inheemse muggenstand, wat misschien te maken had met de uitgestrektheid van de polder en de heersende westenwinden, die een invasie van muggen vanuit het oosten en noorden niet bevorderden.[28]
Ten slotte moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat zich onder de nieuwe – al dan niet tijdelijke – bewoners van de Noordoostpolder malarialijders en parasietendragers zouden bevinden. In april 1942 besloot de Directie tot het doen van bloedtesten bij alle arbeiders die in de polder werkzaam waren. Het bloed – één druppel uit één vinger – werd afgenomen door de kampartsen; de testen werden gedaan in het laboratorium van Swellengrebel in Amsterdam. Deelname aan de bloedtesten werd verplicht gesteld voor iedereen die in de polder woonde of er werkzaam was. In augustus 1942 werd hierover zelfs een speciaal artikel opgenomen in het Reglement op de Arbeidsvoorwaarden.[29] De maatregel van de Directie leidde wel tot enig gemor, want lang niet alle arbeiders konden het nut van een bloedtest in het kader van de malariabestrijding inzien; de meesten leken het onderzoek zelfs als “flauwekul” te beschouwen.[30] In juni 1942 rapporteerde J.J. Temminck, een arts die was gestationeerd in het kamp Ramspol, dat er onder de kamparbeiders nogal wat ontevredenheid was ontstaan omdat de bloedafname in hun vrije tijd moest gebeuren. De zogenaamde forensen (de arbeiders die buiten de Noordoostpolder woonden maar er wel elke dag kwamen werken) mochten echter wat eerder met hun werk ophouden, dit met behoud van loon. Dit had tot gevolg dat nogal wat arbeiders die voor langere tijd in de kampen woonden, weigerden hun medewerking aan de bloedafname te verlenen. Temminck had hier wel begrip voor: “Naar myn meening is het een onbillykheid om deze menschen wel in hun vrye tyd lastig te vallen, en de ‘forensen’ niet.”[31]
Ondanks deze en andere kleine wrijvingen zou het bloedonderzoek in 1943 en 1944 worden herhaald. Vanaf 1943 werd overigens alleen het bloed onderzocht van de arbeiders die oorspronkelijk afkomstig waren uit gebieden waar malaria voorkwam. Het bleek namelijk te veel werk om iedereen te laten testen; bovendien was de kans op besmetting bij degenen die niet uit beruchte malariagebieden als Noord-Holland of Friesland kwamen hoe dan ook te verwaarlozen. In totaal werden in de jaren 1942-1944 4493 bloedpreparaten onderzocht; slechts 35 daarvan bleken afkomstig van personen die met de malariaparasiet waren besmet.[32]
[vorige]
[volgende]
[sluit venster] |
|