De bevindingen van Swellengrebel en andere wetenschappers hadden uiteraard vergaande consequenties voor de malariabestrijding in de Wieringermeer. Als de Voorlopige Directie een grootschalige spuitcampagne op touw had willen zetten om de muggenstand in de jonge polder fors te reduceren, dan had deze zich ook moeten uitstrekken tot het aangrenzende deel van het oude land. Een dergelijke operatie was echter veel te omvangrijk en ook te kostbaar. De malariabestrijding in de Wieringermeer had in de praktijk dan ook vooral tot doel het contact tussen mens en mug tot een minimum te beperken, om op die manier de kans dat de bewoners met de parasiet zouden worden besmet zo veel mogelijk te verkleinen. Sommige van de maatregelen die werden genomen waren van een verbluffende eenvoud. Zo bleek het ’s nachts gesloten houden van deuren en ramen al behoorlijk doeltreffend, aangezien de malariamuggen juist in de nachtelijke uren op zoek gingen naar hun bloedmaaltijd. Het simpelweg doodslaan van de insecten die er desondanks in geslaagd waren de slaapkamers binnen te dringen, wilde ook wel helpen.[17]
Ook werden de malariamuggen in de huizen en barakken bestreden met een insectenspray van het merk Shelltox en met andere chemische middelen. De insecticiden werden door de Voorlopige Directie aan de bewoners verstrekt; aanvankelijk gratis, vanaf 1934 tegen een kleine vergoeding. Ook het aanbrengen van eenvoudige raamhorren bleek een goede methode om de muggen te weren. In de kampen die in de Wieringermeer ten behoeve van de polderarbeiders waren aangelegd, werden de barakken met dergelijke horren uitgerust. Verder legde de Voorlopige Directie aan particuliere aannemers de verplichting op om de raamkozijnen van ieder slaapvertrek zodanig te construeren dat daarin een gaasbescherming tegen muggen kon worden aangebracht.[18] Daarnaast werd er veel aan voorlichting gedaan. Vooral de Commissie voor de Malariabestrijding door de Bevolking in Noord-Holland toonde zich hierbij uitermate actief. Zij lichtte de jonge bevolking van de Wieringermeer voor door middel van lezingen, films en de verspreiding van brochures. Ten slotte werd ervoor gezorgd dat het water dat voor irrigatiedoeleinden in de nieuwe polder werd binnengelaten, zo zoet mogelijk was. Op die manier hoopte de Voorlopige Directie de kans dat de brakwatervariant van de Anopheles maculipennis de Wieringermeer als broedgebied zou kiezen, zoveel mogelijk te reduceren.[19]
De maatregelen die in de Wieringermeer in het kader van de strijd tegen malaria werden genomen brachten veel werk met zich mee, maar hadden uiteindelijk wel het gewenste resultaat: de nieuwe polder bleef nagenoeg malariavrij. Voor zover de ziekte er voorkwam, betrof het uit het oude land ‘geïmporteerde’ gevallen. Slechts weinig bewoners raakten besmet met de parasieten die samen met hun gastheren naar de nieuwe polder waren geëmigreerd.[20] De Directie van de Wieringermeer, de opvolgster van de Voorlopige Directie, was dan ook erg trots op het bereikte resultaat. Ze stelde in 1955 zelfs vast dat de “rijke ervaringen” die in de Wieringermeer waren opgedaan met de malariabestrijding, van groot belang waren geweest voor de strijd tegen de ziekte zoals deze elders in Nederland was gevoerd.[21]
De Directie zag echter over het hoofd dat er ook buiten de Wieringermeer belangrijk onderzoek was verricht in het kader van de malariabestrijding. Swellengrebel en De Buck waren in de jaren 1936-1937 actief geweest in de Noord-Hollandse dorpen Uitgeest en Marken. Daar hielden zij zich vooral bezig met miltonderzoek bij schoolkinderen, omdat een vergroting van de milt kon duiden op een recente of chronische malaria-infectie. Uit dit onderzoek bleek inderdaad dat juist in de huizen waar kinderen met een enigszins vergrote milt woonden, veel muggen met parasieten te vinden waren. Nadat dit was vastgesteld, werd het bloed van alle gezinsleden op de aanwezigheid van de malariaparasiet getest. Was de uitslag positief, dan kregen alle geïnfecteerde gezinsleden een kininekuur. Verder werden hun huizen door teams van de Commissie voor de Malariabestrijding door de Bevolking in Noord-Holland van binnen bespoten met het middel pyrethrine.[22] Het onderzoek in Uitgeest en Marken toonde nog maar eens aan dat deze bespuitingen het beste in de nazomer en herfst konden plaatsvinden, omdat dit juist de periodes waren waarin de brakwatervariant van de malariamug mens en dier met het Plasmodium vivax kon besmetten. De malariabestrijding in Uitgeest en Marken was in feite gebaseerd op het principe ‘eerst onderzoek, vervolgens gerichte bestrijding’. Deze aanpak bleek redelijk succesvol: Swellengrebel concludeerde in een rapport voor de Malariacommissie dat de malaria in Uitgeest tot iets minder dan de helft en in Marken tot een vierde gereduceerd was van de omvang die ze anders zou hebben gehad.[23]
[vorige]
[volgende]
[sluit venster] |
|