De strijd tegen de malaria was in Nederland geen nationale, maar eerder een provinciale of regionale aangelegenheid. Weliswaar richtte de Gezondheidsraad, de instantie die was belast met het staatstoezicht op de volksgezondheid, in 1919 een Malariacommissie op, maar dat gebeurde op initiatief van de inspecteur voor de Volksgezondheid in de provincie Noord-Holland. De taak van de Malariacommissie was de Gezondheidsraad van advies te dienen over de wijze waarop de strijd tegen de malaria moest worden aangepakt.[8] In 1923 werd door de Noord-Hollandse kruisverenigingen een Commissie voor de Malariabestrijding door de Bevolking in Noord-Holland opgericht. Het voornaamste doel van deze commissie was de burgers van de provincie ertoe aan te zetten om actief mee te werken aan de uitroeiing van de malariamug. Overigens kreeg dit particuliere initiatief wel financiële steun van de provinciale overheid en van een aantal Noord-Hollandse gemeenten.[9]
Ondanks het landelijke gebrek aan belangstelling voor malaria, telde Nederland in het interbellum diverse internationaal vermaarde artsen en biologen die wetenschappelijk onderzoek verrichtten naar de verspreiding en bestrijding van deze ziekte. Eén van deze deskundigen, de Leidse parasitoloog prof. dr P.H. van Thiel, ontdekte halverwege de jaren twintig dat de malariamug Anopheles in Nederland in twee varianten of ondersoorten voorkwam. De ene ondersoort, de ‘langvleugelige’ Anopheles maculipennis messeae, broedde vooral in de zoete wateren van Zuid-Holland, terwijl de andere, de ‘kortvleugelige’ Anopheles maculipennis atroparvus, de voorkeur gaf aan het brakke water van Friesland en Noord-Holland.[10] In de late jaren twintig deed prof. dr N.H. Swellengrebel, het hoofd van het Zoölogisch Laboratorium van de Afdeling Tropische Hygiëne van het Amsterdamse Koloniaal Instituut, met financiële steun van de Amerikaanse Rockefeller Foundation onderzoek in de omgeving van het Noord-Hollandse stadje Medemblik.[11] Swellengrebel en zijn medewerker A. de Buck kwamen tot de conclusie dat, hoewel beide ondersoorten van de Anopheles maculipennis in staat waren de malariaparasiet op de mens over te brengen, in de praktijk het grootste gevaar afkomstig was van de brakwatervariant. Dit kwam in de eerste plaats doordat de zoetwatervariant vrijwel alleen in schuren en opslagplaatsen overwinterde, terwijl een deel van de populatie van de andere ondersoort de herfst en winter binnenshuis doorbracht. Bovendien was er bij de vrouwelijke vertegenwoordigers van de brakwatervariant geen sprake van een echte winterslaap. Ze bleven zich namelijk in de herfst- en wintermaanden met bloed voeden, ook al plantten ze zich in die periode niet langer voort. Tot diep in de herfst was de brakwatervariant van de Anopheles maculipennis in staat het malariaplasmodium op de mens over te brengen, een fenomeen dat door malariadeskundigen ‘herfstoverdracht’ werd genoemd. Personen die in de nazomer en herfst geïnfecteerd raakten, vertoonden overigens pas in de lente van het jaar daarop ziekteverschijnselen, als dat al gebeurde, want zoals gezegd waren er ook ‘gezonde’ parasietendragers.[12]
Malariabestrijding in de Wieringermeer en Noord-Holland
Toen in 1918 de Tweede Kamer besloot tot gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee, was het zoals eerder vermeld allang bekend dat nieuwe polders uitermate gevoelig waren voor het uitbreken van malaria-epidemieën. De ervaringen die in het midden van de negentiende eeuw waren opgedaan met de inpoldering van de Haarlemmermeer, waren zeventig jaar na dato nog niet vergeten. De bevolking van deze polder, die in 1852 droog kwam te liggen, was decennialang geteisterd door allerlei besmettelijke ziekten, inclusief malaria. In 1857 bijvoorbeeld moesten de ontginningswerkzaamheden worden gestaakt omdat een groot deel van de arbeiders door de koorts was aangetast.[13] Volgens Swellengrebel en De Buck bevorderde de droogmaking van meren en plassen het uitbreken van malaria-epidemieën doordat de greppels en sloten die in de jonge gronden werden aangelegd ten behoeve van de afvoer van overtollig water, ideale broedplaatsen vormden voor de malariamug.[14]
In augustus 1930 viel de Wieringermeer als eerste grote polder van het Zuiderzeeproject droog. De Dienst voor het in cultuur brengen van de in de Wieringermeerpolder drooggevallen gronden (kortweg Voorlopige Directie genoemd), die door het ministerie van Verkeer en Waterstaat was belast met de ontginning en de sociaal-economische opbouw van de nieuwe polder, besloot de strijd tegen de malaria voortvarend ter hand te nemen. Hierbij werd echter niet die maatregel genomen die op het eerste gezicht misschien voor de hand zou liggen, te weten de massale uitroeiing van de malariamug en haar larven. Prominente Nederlandse malariadeskundigen waren namelijk van mening dat een dergelijke maatregel weinig zin had. Zoals gezegd deden Swellengrebel en zijn medewerkers sinds de late jaren twintig wetenschappelijk onderzoek in Medemblik en omgeving.[15] Dit onderzoek concentreerde zich niet alleen op het gedrag van de malariamug, maar ook op de wijze waarop men dit diertje het beste zou kunnen bestrijden. Bij wijze van proef hadden Swellengrebel en de zijnen het wateroppervlakte van de sloten binnen een straal van drie kilometer rond Medemblik met diverse arsenicumhoudende middelen bespoten. Het doel van deze maatregel was na te gaan of hierdoor de larven van de Anopheles uitgeroeid konden worden, zodat uiteindelijk ook de muggenstand fors zou worden teruggebracht. Inderdaad liep het aantal muggen rond Medemblik met tweederde terug, maar een volledige uitroeiing van de insecten bleek onmogelijk. Swellengrebel en zijn medewerkers ontdekten dat dit een gevolg was van het feit dat de malariamuggen in staat waren flinke afstanden af te leggen, vooral bij een gunstige windrichting. De wetenschappers kwamen tot de conclusie dat Medemblik en omgeving alleen permanent muggenvrij zouden kunnen blijven indien een gebied met een straal van veertien kilometer rond dit stadje met larvendodende middelen zou worden bespoten.[16]
[vorige]
[volgende]
[sluit venster] |
|